Werking van de stemprothese 


Stemvorming

Om met een stemprothese te kunnen spreken moet u op het moment van uitademen het stoma met een (blote) vinger of duim afsluiten.

Omdat het stoma dan is afgesloten stroomt de uitgeademde lucht tijdelijk niet meer door het tracheostoma. De uitgeademde lucht stroomt op het moment van afsluiten van het stoma via de prothese naar de slokdarm en de keelholte en vervolgens naar de mond.

De lucht brengt het slijmvlies van de slokdarm en keelholte in trilling en er ontstaat geluid. Door vervolgens de mond op de normale manier te bewegen kunt u spreken.

Dit noemt men de prothesespraak. De stemprothese zelf maakt dus geen geluid. De stemprothese fungeert als een ventiel, om uitademingslucht naar de mondholte te brengen.


Tijdens de spraakrevalidatie bij een logopedist wordt veel aandacht besteed aan de manier van afsluiting (bijvoorbeeld welke hand of vinger u gebruikt). Ook het moment van afsluiting (tijdens het uitademen) wordt geoefend.

U kunt het stoma afsluiten door het dragen van een speciale pleister met daarin een filter dat u met uw vinger kunt afsluiten. U kunt ook met een gaasje om de vinger het stoma (zonder pleister of filter) afsluiten.

U leert bij de logopedist onder andere de juiste druk, het juiste moment van afsluiting, de juiste plaatsing van de vinger of duim bij afsluiting en het juiste moment van loslaten (niet te vroeg en zonder bijgeluid).

Tijdens afsluiting komt de lucht via de prothese in de slokdarm terecht.
Hier komt de lucht in trilling en ontstaat geluid. Door vervolgens de mond op de normale manier te bewegen kunt u spreken. Dit noemt men de prothese-slokdarmspraak.



Spraak

Het geluid dat in het strottenhoofd wordt gemaakt moet nog worden omgevormd tot verstaanbare spraak. Dit gebeurt in de mond-, neus- en keelholte, waarbij ook het gebit, de lippen, wangen, het verhemelte en de tong een belangrijke rol spelen. Elk van deze structuren moet goed functioneren om duidelijk verstaanbaar te kunnen spreken.